Als er
nou een jaar is waarin alles zwart/wit is, dan is het wel 2012. In
een Olympisch jaar zijn woorden als ‘bijna’, ‘aardig’ en ‘volgende
keer beter’ totaal overbodig. Het is goed of slecht. Alles of niets.
Zwart of wit.
Ik heb
net 3 weken mogen trainen in het zonnige Stellenbosch, Zuid Afrika.
Over zwart/wit gesproken. Het verbaasde me dat, nu ik er na twee
jaar weer kwam, er niks veranderd is. De zwarte dames die elke dag
ons ontbijt maakten en onze kamers opruimden, hebben nog steeds nul
dagen per week vrij en werken elke dag voor een schamel loon. Op het
terras zitten geen zwarte mensen, enkel witte toeristen. Sterker
nog, zelfs in de bediening is het zwart/wit: zwart achter de bar,
wit voor het uitserveren aan de klanten. Het maakt dat verblijf in
Stellenbosch je, als wit welgesteld wezen, toch altijd zwaar in
verlegenheid brengt.
Maar
trainen daar was (weer) fantastisch! Hoewel ik het erg moeilijk vond
me als geblesseerd schaapje groot te houden tussen alle kerngezonde
waanzinnig goede atleten uit mijn team, heb ik goed kunnen
revalideren. Altijd blijken mijn verwachtingen de realiteit te
ontstijgen, want waar ik had gehoopt volledig genezen terug te
keren, moet ik aanvaarden dat het nog niet over is. Ik heb nog
steeds elke dag rugpijn. Maar ik ben een stuk verder dan ik drie
weken geleden was, heb een paar goede looptrainingen kunnen doen. Er
rest mij niets anders dan doorgaan op de ingeslagen weg en moed
houden. De spelen zijn nog niet verloren!
In het
kader van zwart/wit, heb ik een harde beslissing genomen in de
afgelopen trainingsstage. Ik zal van nu af aan niet meer bij Arno
Mul trainen, maar bij Guido Bonsen. Arno is net begonnen als
bondscoach voor de wheelers van het Dutch Paralethic Team, dat doet
hij fantastisch. Met hart en ziel heeft hij zich gestort op deze
sporters, wat alleen al in Stellenbosch een karrevracht aan
trainings-PR's opleverde. Kijk uit voor deze racemonsters op wielen,
ze gaan medailles binnen slepen.
Tijdens
deze stage zal ik wat ik tegelijkertijd vreesde (zwart) en hoopte
(wit): dat de wheelers veel van Arno’s tijd en aandacht vergen. Ook
ik heb die aandacht nodig, zeker nu ik nog revalideer (wat een
schijtwoord is dat toch voor een sporter). Langzaam kwam ik tot het
besef dat ik een trainer nodig heb die tijd heeft die tijd in mij te
stoppen, als ik straks optimaal wil presteren in Londen.
Het is
bizar dat juist nu Arno fulltime werkt in gehandicapten atletiek, ik
het gevoel kreeg dat ik niet meer in dat plaatje pas. Een doorwaakte
nacht en een goed gesprek later, bleek gelukkig dat Arno zich kon
vinden in mijn beslissing. Enigszins opgelucht kon ik later op de
dag concluderen dat Guido graag met me aan de slag wilt (want zonder
trainer zitten in dit jaar leek me toch wel heel zwart).
Ik heb
ontzettend veel aan Arno te danken, hij heeft me geleerd wat
topsport echt inhoud en hoe je uit een hopeloze situatie met een
portie wilskracht, doorzettingsvermogen en (vooral) een plan een
heel eind kan komen. Als ik in Londen sta straks, hopelijk, dan zal
ik daar staan dankzij Arno. Bij deze vast een grote DANKJEWEL!
Gelukkig zal Arno als bondscoach van de wheelers nooit heel ver weg
zijn. Een klein kleurig randje in een zwart/wit jaar.
Ik weet
zeker dat ik bij Guido in goede handen ben. Als er iemand weet wat
nodig is voor een topprestatie is hij het wel en ik zie uit naar het
moment dat ik pijnvrij opsta en weer vol aan de bak kan om mijzelf
en hem te laten zien dat ik als het gaat om goed versus slecht, ik
me 100.000% zal inzetten me aan de goede kant van die scheidslijn te
scharen.
Dit jaar
is het dus het zwart of wit. Met een beetje roze.
Foto:Arno Mul.
Stellenbosch 2012
123
Bericht
geplaatst op:
Woe 28 dec 2011
Everything’s not lost
When I counted up my demons
Saw there was one for every day
With the good ones on my shoulder
I drove the other ones away
Coldplay staat ook dit jaar weer
tien keer in de
Top 2000 (en ben ik nou de enige
die helemaal niks snapt van het feit dat ‘Viva la Vida’ de hoogst
genoteerde op nummer 7 is?) Bovenstaand nummer staat er niet in,
hoewel wat mij betreft stukken beter dan ‘clocks’, maar ik werd er
vanochtend mee wakker en sindsdien zingt het door mijn hoofd:
everything’s not lost. En zo is het maar net.
Anderhalve week geleden dacht ik daar wel anders over. Mijn rug deed
al een weekje zeer, maar het was allemaal niet echt verontrustend
pijnlijk totdat ik tijdens een krachttraining de boel goed forceerde.
In eerste instantie baalde ik alleen van de pijn en het feit dat ik
welhaast moedeloos werd als ik iets moest oprapen van de grond, wat
onmogelijk was. Heel irritant als je zo onhandig bent als ik en
bovengemiddeld vaak dingen laat vallen. Toen de pijn in een weekend
van rust nauwelijks wegtrok werd ik een beetje zenuwachtig (en dit
is het punt waarop mijn coaches even zullen grinniken, want ik zat
in werkelijkheid tegen het plafond van de stress). Op maandag,
anderhalve week geleden dus, sprak sportarts John IJzerman dan de
niet zo verlossende woorden: hier ben je nog wel even zoet mee. Mijn
rug bleek een flinke tik te hebben gehad en wellicht was ook de
tussenwervelschijf beschadigd. Een soort hernia XXS dus.
Ik geloof dat ik het nieuws dat ik kanker had 13 jaar geleden beter
opnam dan dit. Zes weken uit de roulatie? Als topsporter? Met
überbelangrijke 2012 trappelend voor de deur? Nachtmerrie!
Nachthengst beter gezegd, ik was even heel verdrietig en boos op
mezelf, had ik dit niet kunnen voorkomen?
Gelukkig ben ik een nogal dramatisch aangelegd persoon en zien
dingen er de volgende ochtend al een stuk zonniger uit. Een diagnose
betekent namelijk ook een aangrijpingspunt: het dieptepunt is
bereikt, vanaf nu weer omhoog. En sindsdien houd ik me braaf aan de
regels: wel bewegen, niet rennen. Wel zitten en staan, maar ook vaak
liggen. En met resultaat.
We (ik en mijn onwillige L5-S1 werveldinges) zijn inmiddels 1,5 week
verder en de pijn is een stuk minder. Ik mag zelfs weer denken aan
rennen aan het eind van deze week (maximal 5 versnellingen, niveau
nul maar toch) en het ziet er naar uit dat ik niet per se degradeer
tot waterdraagster tijdens de komende trainingsstage in Zuid Afrika
(9-30 januari 2012).
Mijn rugprobleem is nog niet weg en het is zaak zo goed te
herstellen dat het geen terugkerende blessure wordt. Nog een beetje
gedisciplineerd blijven dus. Maar ‘het’ (Londen, ik, alles) is zeker
nog niet verloren. Everything's not lost.
Singing out,
Oh oh oh yeah,
Oh oh yeah,
Oh oh yeah,
Everything's not lost...
122
Bericht
geplaatst op:
Zo 17 dec 2011
Het is weer december
Bepaalde
thema’s keren elk jaar weer terug in deze maand. Natuurlijk
Sinterklaas, Kerst (met minstens één
keer ‘ik ben een kerstbal’ van Bert en Ernie) en het bijbehorende
gevecht tegen de kerstkransjes, glühwein en de chocoladetoetjes.
Meestal is december een spannende maand: al glibberend over de
bevroren stoepen uit alle macht hopen dat ik mezelf niet voor paal
zet als midden op de dam mijn prothese besluit een andere kant op te
glibberen dan de rest van mijzelf. (ook zonder sneeuw kan dat
trouwens, ik ging van de week op het Sportgala flat out, toen
ik bleef haken achter een camerasnoer. In gala. Uiterst onelegant.
Niks menselijks is mij vreemd).
December, een maand van lijstjes, best offs, prachtige lange mails
van je bondscoach met een terugblik op het afgelopen jaar en nog
maar eens een aansporing voor het volgende, belangrijke,
belangrijkste, jaar. Een maand waarin je schaamteloos Love
actually voor de tiende keer kunt bekijken en voor de tiende
keer kunt snotteren bij die scene waarop zij erachter komt dat hij
die ketting niet voor haar kocht. En natuurlijk is december de maand
waarin
Serious Request plaatsvindt, de
welbekende actie van 3FM waar drie DJs zes dagen in een glazen huis
doorbrengen, niets eten, en en passant een fortuin ophalen
voor een goed doel.
Zoals
altijd zal ik met veel plezier luisteren naar 3FM tijdens Serious
Request. Dit jaar is het thema: moeders. Nodeloos te zeggen dat
dit thema mij aan het hart gaat. En nu weet ik dat dit natuurlijk
niet gaat om moeders in Nederland, maar in veel desolatere oorden.
Toch kan ik het niet helpen dat, helemaal in december, elke keer als
ik het woord ‘moeder’ hoor op de radio, mijn gedachten uitgaan naar
Nellie. Mijn moeder, die op 22 december (middenin Serious Request)
59 jaar zou zijn geworden, maar helaas is blijven steken op 50. Nu
zou ik haar, meer dan in andere jaargetijden, willen vragen wat zij
nou van dit jaar vond, of ik het nog ergens beter kan doen. Of
eigenlijk, nee, misschien zou ik alleen maar heel dicht tegen haar
aankruipen en me op haar schoot wurmen, zodat ik haar nog een keer
kan horen zuchten: “o nee, Marije, daar ben je echt te groot voor”,
wetend dat ze me toch niet van zich af zal duwen, omdat zij net zo
van knuffelen houdt als ik. Daarna zouden we de kaarsjes aansteken
en hoogstwaarschijnlijk nog een keer ‘ik ben een kerstbal’
zingen, terwijl ik en mijn zusje een gek dansje doen.
December
is een tijd van wegdromen. Ik weet heus wel dat de realiteit me
morgen weer achterhaalt, maar nu nog heel even niet. This one’s for
Mama!
121
Bericht
geplaatst op:
Zo 13 nov 2011
More or less?
Less is
more. Het wordt zo vaak gezegd, dat de waarheid die achter deze drie
simpele woorden schuilgaat, verloren is gegaan. Ik verzeilde deze
week in drie situaties, waardoor ik opeens de betekenis van de
uitdrukking weer snapte.
Gisteravond was ik in het theater, naar One night of Queen,
een tributeband die elk jaar een aantal weken door de Nederlandse
theaters toert, geproduceerd door
Bos Theaterproducties, waar mijn
vriend Pieter werkt. Het is een echte feestshow, die je het best
beleefd als je gaat staan en mee danst met de angstaanjagend goede
Freddy look-a-like Gary Mullen. Helaas zat zelfs na drie knalgoede
nummers iedereen in de zaal nog op z’n gat. Klappend en tappend met
de voeten, maar schuchter om zich heen kijkend, want stel je voor
dat zij de eersten zouden zijn die opstonden! Ook ik werd beperkt
door dat vreemdsoortige schaamte. Bang om het eerste schaap over de
dam te zijn. Er was één man, schuin voor mij, die duidelijk geen
last van remming had. Al vanaf de eerste minuut van het concert
stond hij vol overgave mee te zingen en te springen. Hij had de tijd
van zijn leven. Op dat moment was zijn Syndroom van Down een zegen.
Niet nadenken, gewoon genieten. Less is more, zegmaar. En wij maar
beleefd klappen.
Less is
more. Minder nadenken, meer doen. Het is precies zo simpel en toch
een stuk moeilijker dan het klinkt. Ik sprak een vriendin die een
nogal deprimerende kijk op de wereld heeft. Ze had nog eens diep
nagedacht over deze wereld, over alles om ons heen, en kon plots de
zin van dit alles niet meer ontdekken. Want alles om ons heen,
inclusief wij zelf, zijn in de kleinste deeltjes opgebouwd uit
hetzelfde. Moleculen, atomen, als je de deeltjes maar klein genoeg
afbreekt, is alles opgebouwd uit hetzelfde, alleen in een ander
evenwicht. En als je door een actie iets in je omgeving veranderd,
je scheurt bijvoorbeeld een papier doormidden, is het evenwicht
veranderen het enige wat je doet. De deeltjes blijven hetzelfde. En
als het enige wat wij doen op deze wereld is het veranderen van
evenwichten, die toch in essentie blijven bestaan, wat is dan de
zin? Daar moest ik even over nadenken. Zo klinkt leven inderdaad
vrij nutteloos. Om depressief van te worden.
De derde
situatie is een toevallige ontmoeting met een oud klasgenootje. Of
ik “nog steeds” aan het sporten was? Ja. En nog steeds zo fanatiek?
Fanatieker than ever. “Nou, als je nog niet werkt, dan wel goud
halen hè?” Om mij maar eraan te herinneren dat alleen een gouden
medaille mijn keuze voor topsport kan rechtvaardigen. Het deed me
weer beseffen dat wat ik nu doe, een sprong in het diepe is. Een
berekende sprong, want ik weet precies hoe lang ik moet aanlopen
(trainen) en wanneer ik moet springen (Londen). Maar hoe diep het
water is, of er echt goud ligt aan het eind van deze regenboog? Ik
heb geen idee. Die onzekerheid, dat het ook mis kan gaan, dat ik met
niks kan eindigen, zou verlammend kunnen werken. De druk om de
evenwichten van de atomen zo te schikken dat mijn leven wel zin
krijgt, is groot. Aan de andere kant is het ook spannend, en voel ik
me vaak net als die jongen met Down bij het concert van gisteren:
vanaf de eerste minuut juichen, meezingen, genieten. Blij zijn dat
ik er deel van uit mag maken en niet denken aan wat anderen denken,
of ‘wat als’. Meer van minder. Less is more.
Misschien kom ik er dan wel achter dat de evenwichten zich ongemerkt
precies zo schikken als ik dat graag zou willen…
120
Bericht
geplaatst op:
Wo 19 okt 2011
Panem et circenses
Regelmatig, als ik het nieuws kijk of lees, word ik geconfronteerd
met onderzoeken naar ‘de mening van de bevolking’. Zo zou een ruime
meerderheid van de Nederlanders tegen verhoging van de
pensioenleeftijd zijn. Hadden ze mij maar gebeld! Ik ken namelijk
helemaal niemand in mijn omgeving die het een raar idee vind dat we
langer moeten werken. Vroeger viel je gewoon de dag na je 65e
dood neer. Slechts een enkeling werd ouder dan 80. Dat scheelde
lekker in de AOW kosten! Nu je leven pas begint op je 80e,
is het toch logisch dat wij langer moeten werken? Blijkbaar horen ik
en mijn omgeving niet tot de meerderheid van Nederland.
Ander
voorbeeld: de kandidaatstelling van Amsterdam voor de organisatie
van de Olympische Spelen in 2028. Ik zou zo graag eens met Maurice
de Hond aan de telefoon hangen daarover! De bewoners van Amsterdam
zijn er tegen, zo blijkt uit een poll onder 2000 inwoners van de
stad. Nou, ik ben een bewoner van Amsterdam die er 100% VOOR
is. En zo ken ik er nog een heel aantal. Van de ondervraagden waren
de meesten bang voor de overlast, het geld wat het kost,
infrastructurele aanpassingen die het vergt en nog een aantal van
die beren op de weg. Zo zonde!
Misschien zou ik moeten solliciteren naar een baantje bij zo’n
onderzoeksbureau. O, mijn handen jeuken echt om al die tegenstemmers
eens te woord te staan! Ik zou ze kunnen vertellen over de magie van
de Spelen. Ze zouden misschien niet meteen overtuigd zijn, maar wat
als ik ze zou meenemen naar mijn twee vorige Paralympische
avonturen? Wat als ik ze zou vertellen over de tinteling die door je
heen gaat bij het aanraken van de Olympische atletiekbaan, bij het
zien van al die sporthelden om je heen? Wat als ik ze zou vertellen
dat je met één 100m een hele natie kan verenigen, dat de Spelen geen
hooligans kent omdat alles even tof is en dat zelfs de sporter die
genadeloos gefaald heeft op een Olympisch toneel jaren later toch
met een glimlach en een twinkeling in zijn ogen terugkijkt op zijn
deelname?
Ik weet
zeker dat ik ze zou kunnen overhalen hun mening te herzien. In deze
tijd van angst, van ‘ik hoop dat ik aan het eind van de dag beter af
ben dan mijn buurman’ en de verschuiving van sociaal naar asociaal,
hebben we die kandidaatstelling nodig. Julius Caesar zei het niet
voor niets: “Panem
et circenses”. Oftewel: geef ze
brood en spelen. Geef ons de Spelen! Ik weet zeker dat Amsterdam er
een boost van zal krijgen en dat het euforisch gejuich van de gouden
medaille winnaars nog jaren te voelen zal zijn als een koele
zomerbries tussen de huizen en in de harten van de Amsterdammers.
Een stad waar je trots op bent het toneel maken waarop de grootste
atleten der aarden strijden om de grootste prijzen der aarde, wie
wil dat nou niet?
En nu ik
er zo over nadenk: ik zie nog een aardige rol weggelegd voor die
stokoude bejaarden waar we nu met z’n allen zo krom voor liggen.
Laten we degenen die de Spelen van 1928 hebben meegemaakt
bombarderen tot ambassadeur van onze kandidaatstelling. Ik weet
zeker dat zij als geen ander kunnen vertellen hoe waanzinnig ultiem
gaaf het toen al was, een herinnering die zelfs de agressiefste
Alzheimer moet hebben overleefd.
Dus,
burgemeester van Amsterdam, ik doe een appèl op u. Ga de straat op,
ga staan op dat appelkistje en overtuig de zuurpruimen. Geef ons
brood en Spelen.
Vader: “Dat is
een uitdrukking, dat zeggen mensen als de zomer voorbij is,
maar de zomer is niet
echt dood. Die komt volgend jaar gewoon weer terug”.
Jip: “Ow… dus de
zomer is eigenlijk alleen maar flauwgevallen”.
De zomer is flauwgevallen, de
winter is begonnen. DE winter mag je wel zeggen, de allesbeslissende
winter voor het allesbeslissende jaar 2012. Dat klinkt alsof ik iets
te veel naar de mythe Maya’s en andere onheilsprofetieën heb
geluisterd, maar het voelt ook echt alsof de wereld ophoudt te
bestaan na de Spelen van volgend jaar. Wat kunnen we doen tot Het
Einde? Zo hard mogelijk trainen en genieten, zo goed mogelijk
presteren volgend jaar.
Vanochtend was dan de eerste
training van De Winter. Mijn benen werden ruw wakker geschud, mijn
longen doen nu nog pijn, en dat terwijl dit zo ongeveer de
makkelijkste training was die ik te verstouwen krijg de komende
tijd. Links en rechts van mij liepen
Marlou van Rhijn en
Suzan Verduijn, die er duidelijk
ook moeite mee hadden. Lachend om elkaars beroerde lichamelijke
conditie, prezen we ons gelukkig dat we nog een heel jaar hebben.
Ik ben blij dat het begonnen
is. Die Spelen, Londen, dat is toch altijd een soort fata morgana,
ergens ver weg aan de horizon. Nu wordt het eindelijk tastbaar. De
komende maanden staan in het teken van hard trainen en spierpijn,
maar de kop is eraf. Het is echt begonnen. In mijn hoofd klinken de
Virtuoze Matrozen met hun liedje Verscheurende Liefde: “hulpeloos
kijk jij mij aan, voordat we naar de haaien gaan…”
118
Bericht
geplaatst op:
Do 14 sept 2011
Niet links, niet rechts...
Er is al
een tijd niets nieuws op mijn website verschenen. Daardoor is een
groot deel van mijn wedstrijdseizoen alleen op
Twitter en
Facebook te volgen geweest. Niet
chique, mijn excuses. Maar zoals ik de krant altijd het liefst van
achter naar voren lees (het leukste nieuws en de interessante
artikelen staan altijd achterin, van de eerste 10 pagina’s word ik
over het algemeen alleen maar somber), is het ook niet zo erg om de
afgelopen tijd retrospectief te bekijken. De enige uitdaging die mij
rest is dit verhaal enigszins beknopt te houden en uw aandacht niet
te verliezen.
Van
achteren naar voren dus. Het is nu half september en mijn
wedstrijdseizoen is nog niet voorbij. Aankomende zondag loop ik mijn
laatste 100m van het seizoen in Milaan, tijdens een soort Italiaanse
FBK games: de Notturna di Milano. Ik heb er zin in, alleen al omdat
ik uitgenodigd ben voor deze wedstrijd. Dat geeft al een speciaal
gevoel. En sinds ik koffie ben gaan waarderen, lijkt Italië me de
place to be. Dat is dus aankomend weekend, 19 september. Ik zal
jullie voor half december op de hoogte stellen van mijn prestatie
daar…
Dan het
deel van het seizoen wat wel al achter ons ligt. Ik heb dit jaar
veel wedstrijden gedaan, een stuk meer dan vorige seizoenen.
Gedachte daarachter was dat we in dit voorparalympische jaar zoveel
mogelijk willen ‘oefenen’ voor volgend jaar. Dus, in mei en juni een
piekmoment en dan eind augustus en begin september weer een.
Daartussen zat een periode van trainen, waarin ik wel wedstrijden
heb gedaan, maar die leverden door vermoeidheid geen goede
resultaten op. Dat experiment was niet zo geslaagd en zullen we
volgend jaar niet herhalen.
In mei
en juni heb ik wisselvallig gepresteerd. Met 3.68m in Vught was het
verspringen goed, hoewel ik ook 3.37m liet noteren op de FBK games
in Hengelo. De 100m ging moeizaam, na twee dramatische races in
Hoorn en Hengelo wat gesleuteld aan mijn protheses. Dat leverde
gaandeweg het seizoen wel betere tijden op, met als beste tijd dit
seizoen 17.85s, in juli in Singen op de Open Duitse
Kampioenschappen. Maar de limiet voor de Spelen is 17.60s, en mijn
PR 17.71s, dus het is nog niet goed genoeg.
Eind
augustus leek mijn tweede piek overtuigender dan de eerste. Ik
sprong een SB in Oordegem (3.69m) en ben in de vaste overtuiging dat
het nog veel verder kan. Toen ik een week later op 2 september in
Utrecht een halve seconde van mijn PR op de 150m af liep, leek een
goede tijd op de 100m tijdens de Arena Games in Hilversum binnen
handbereik. Helaas gooide daar de wind roet in het eten: ik liep een
goede race, maar -1.8ms wind is best veel als je er 18 seconden
tegenin moet lopen. Ik kwam helaas een stuk langzamer over de finish
dan in Singen: 18.28s, daar moest ik het mee doen. In Hilversum
sprong ik 3.65m.
Resumé
Overflakkee: qua 100m was het een moeizaam seizoen, ik vond pas laat
de snelheid, en ik loop nog niet zo hard als nodig is. Toch geeft
het eind van het seizoen me vertrouwen dat ik sneller kan en de
juiste modus heb gevonden. Ik ben in het voorseizoen nog lang moe
geweest. Verspringen dan, toch wel een beetje ‘mijn ding’. Het
gemiddelde niveau is hoger dan vorig jaar: ik heb vorig seizoen niet
1x over de 3.54m gesprongen, nu is 3.60m geen uitzondering meer.
Maar topsport gaat niet over gemiddelden en het is me niet gelukt
3.73m (mijn PR uit Christchurch) te verbeteren, iets wat ik toch
vast van plan was. Ook hier gaf het eind van het seizoen me het
vertrouwen dat het er wel in zit. Het voelt alsof ik nog niet de
juiste combinatie van in te drukken knopjes en schakelaars heb
gevonden bij mezelf, zodat ik alles een keer kan laten kloppen. Op
mijn laatste wedstrijd in Hilversum, ging er in elke sprong iets
anders goed, iets anders fout. Komend jaar wordt de opdracht al die
afzonderlijke onderdelen bij elkaar te brengen. Het kan verder dan
3.73m, en bij voorkeur was dit al dit jaar gebeurd. Wat dat betreft
ben ik wel teleurgesteld in mezelf. Aan de andere kant is het bij
mij nooit echt vanzelf gegaan en wie weet is dit een gemene truc van
mijn lichaam om me extra scherp te krijgen voor komend jaar. Hoewel
ik nauwelijks motivatie nodig heb, ben ik nu wel Heel Erg Extra Mega
gemotiveerd om te laten zien dat die 3.73 geen toevalstreffer was.
Bent u
er nog? Chapeau als u tot hier gelezen heeft. Een teken dat u
minstens evenveel doorzettingsvermogen bezit als alle mensen om mij
heen die me dit jaar weer hebben bijgestaan met raad, daad, tissues,
warme woorden en een schop onder mijn kont daar waar nodig.
Pieter, Paul, Arno, Guido, Suzan, Claire, Rianne, Pelle en
Marijn, wat zou ik zonder jullie zijn?
Ook wil
ik mijn sponsors bedanken. Omstandigheden maken de man, is niet voor
niets het gezegde. Dankzij ASICS heb ik elke training kunnen
afwerken op de juiste schoen aan de linkervoet en dankzij Otto
Bock zat er aan de rechterkant de juiste prothese, in elkaar
gezet dankzij de tomeloze inzet van Frank Jol Hoorn Orthopeadie.
Immens blij ben ik met de support van NOC*NSF en de
Atletiekunie, zij maken het onderscheid tussen topsport met en
zonder handicap niet meer. Graag bedank ik professor Marc
Benninga, die me in staat stelt het contact met de geneeskunde
niet totaal te verliezen maar zich vooral heeft ontpopt tot ultieme
supporter en Marije Smits propaganda machine. Tot slot dank ik
iedereen die fan is van
Team Parastars: samen tillen we
gehandicaptensport naar een hoger niveau en overtuigen we zelfs de
zuurste augurk van de awesomeness ervan.
Nog 1
stop in Milaan en twee weken rust. Vanaf dan is het niet links, niet
rechts, maar recht door (Noord)zee. Op naar Londen. Voornemen 1:
jullie vaker berichten over mijn wel en wee. Stay tuned!
117
Bericht
geplaatst op:
Ma 15 aug 2011
Kent
u die uitdrukking?
Dominee
Gremdaad zou zeggen: kent u die uitdrukking, naar jezelf kijken van
een afstandje, kent u die uitdrukking? Ik had dit weekend zo’n
ervaring. Ik keek naar mezelf vanaf een afstandje. Middenin Londen.
Sterker nog: op Trafalgar Square, pal naast het electronische
aftelbord tot aan de spelen (het was nog 387 dagen, 21 uur, 37
minuten en 5 seconden tot de start van de openingsceremonie, om
precies te zijn). Ik bekeek mezelf van een afstandje. Ik had een
telefoon in mijn hand en gaf een interview. Ik bekeek mezelf niet
alleen, ik hoorde mezelf ook. Ik hoorde zelfs mijn gedachten. Dit is
wat ik hoorde (met mijn gedachten tussen haakjes):
“Offers?
Ja, natuurlijk maak ik offers. Zeker in de winter zijn de trainingen
zwaar, zo zwaar dat ik feestjes en uitjes afblaas. En in de zomer is
het energie sparen voor wedstrijden. Maar, geloof me, het voelt niet
als een opoffering (bovendien, wat is er zo slecht aan een offer?
Ik geloof dat de Egyptenaren met liefde een schaap of geit aan de
goden offerden, en die goden waren er zelf ook behoorlijk blij mee).
Ik kan me eigenlijk weinig leukers bedenken dan een zonnige training
op een nagenoeg lege atletiekbaan ergens in het zuiden van Europa.
Ja, ik kan mijn trainer regelmatig vervloeken om de martelingen die
hij bedenkt, maar het voldane gevoel als je zo’n training dan
succesvol aflegt, is iets wat ik slecht zou kunnen missen (het is
echt, echt beter dan die pot pindakaas leeglepelen terwijl je voor
de 10e keer Sleepless in Seatle kijkt). En last, but
not least, dankzij de sport kom ik op plaatsen waar ik anders nooit
terecht zou zijn gekomen. Bijvoorbeeld in Beijing, in een stadion
gevuld met 90.000 chinezen, of in Sydney, of Christchurch. En
dichter bij huis mag ik aanwezig zijn als spreker bij gave symposia,
sportdagen en andere interessante bijeenkomsten. (Eerlijk gezegd
kan ik me niet voorstellen hoe ik een normale werkweek achter een
bureau zou moeten overleven). Nee, ik kan eigenlijk niet
gelukkiger dan ik nu ben. Hoe cliché het ook klinkt, mijn hobby is
mijn beroep!”
Zo, zo,
wat een volwassen gepraat, zo middenin Londen. De ik die op mezelf
neerkijkt knikt instemmend. Maar dan kijk ik nog een keer goed naar
mezelf. Ik zie er nogal futloos uit. Mijn schouders hangen, mijn
ogen staan vermoeid. Niks in mijn gezicht en lichaamshouding support
het enthousiasme van mijn stem.
Dat moet
die andere kant van de medaille zijn. Want ik was natuurlijk niet
zomaar in Londen. Ik was hier voor een wedstrijd. Een wedstrijd die
echt slecht ging. Bijna onwerkelijk slecht (ik sprong slechts 3.47,
om over de 100m nog maar te zwijgen). Ik voelde me voor de wedstrijd
al beroerd, en na de wedstrijd was ik klaar mezelf in de Thames te
storten. Want naast het gelukgevoel van al die goede trainingen en
wedstrijden, is daar de desastreuze invloed van een slechte
performance. De verwijten kunnen alleen maar aan mezelf geadresseerd
zijn, want niemand anders dan ik stond daar op de aanloop en aan de
start. Waarom lukte het niet? Waarom liep mijn aanloop zo slecht?
Waarom was ik zo’n loser? Het zijn vragen die me nog dagen kunnen
bezighouden. Vers opgebouwd zelfvertrouwen brokkelt zo makkelijk af!
Maar
gelukkig blijf ik nog even langer kijken naar mezelf. Ik zie dat ik
de telefoon ophang, een diepe zucht slaak en om me heen kijk, op
zoek naar Pieter. Hij staat al bij het aftelbord, waar het inmiddels
nog maar 387 dagen, 21 uur en 29 minuten duurt tot het losbarsten
van de Paralympics. Hij zwaait enthousiast en poseert naast drie
Chinese toeristen die niet misstaan hadden in de dwergklasse.
Lachend maak ik een foto, de lichtjes keren weer terug in mijn ogen.
Nog 387 dagen, waarvan de eerste nu begint. Ik weet dat ik dit wil,
dit kan. Het komt allemaal wel goed. Kent u die uitdrukking?
116
Bericht
geplaatst op:
Ma 11 juli 2011
Het Knikje
Zo
langzaam mogelijk loop ik terug naar het 150 meter punt op de baan.
Ik hijg als een zwanger paard, mijn benen doen zeer en een storm aan
gedachten waait door mijn hoofd. Het Knikje! Arno gaf me gewoon
Het Knikje. Ik kan er niet over uit. Terwijl ik mijn ademhaling
onder controle probeer te krijgen (nog een halve minuut pauze tot
het volgende loopje), vraag ik me af of ik me nou zo aanstel. Ik
kreeg immers Het Knikje.
Voor
degenen die niet weten wat Het Knikje is, zal ik het uitleggen. Het
zal voor jullie geen verassing zijn dat ik nogal lang van stof ben,
doorgaans. Smsjes houd ik zelden binnen de 160 karakters, mijn
columns voor het blad LEF moeten altijd worden ingekort. Het Knikje
is uitgevonden door Suzan, mijn trainingsmaatje. Zij moet regelmatig
een spraakwaterval van mij aanhoren. Dat zou geen probleem hoeven te
zijn, als ik nou een reïncarnatie was van Freud, of Nietzsche. Maar
meestal begin ik een vrij onzinnig verhaal en op het moment dat ik
met een stralend gezicht wacht op een reactie, doet Suzan het enige
juiste. Ze glimlacht vaag voor zicht uit, mompelt “hmhm” en knikt
met haar hoofd. Het Knikje. Een beetje dat wat je doet naar
een kleuter die voor de 10e keer roept “kijk mij dan,
kijk mij dan!” en vervolgens vol trots showt hoe goed hij zijn hoofd
in zijn tshirt kan stoppen. Zo’n Knikje. Jaja. Hmhm. Interressant
hoor. Not.
Dus, ik
kreeg Het Knikje van Arno. Die woensdag, tijdens de 150 meters, die
donderdag tijdens de krachttraining en ook vrijdag, toen al mijn
ledematen schreeuwden om medelijden en mijn voorzichtige opmerkingen
(“ben een beetje gaar”) over waren gegaan in luidkeels geklaag
(“MOE!”). De boodschap was duidelijk: ik moest niet zeuren, het
schema afmaken. Moe zijn was geen optie.
Tot
zondag. Ik deed mee aan de Eef Kamerbeek Games in Eindhoven. De 100m
overleefde ik nog enigszins en wellicht was de tijd iets beter
geweest als de wind de goede kant op geblazen had. Maar tijdens het
verspringen ging het licht uit. Twee keer de bak ingevallen en een
onstuitbaar opkomende huilbui al na de tweede poging: het was op.
Maar aangezien ik tot en met vandaag voornamelijk van Arno Het
Knikje kreeg, voelde ik me vreselijk. Was dit de bedoeling? Was ik
nou zo moe of verbeeldde ik me het? Ik bakte er helemaal niets van,
wat zou de coach wel niet denken? En de bondscoach? En alle anderen
die getuigen waren van deze Smitsiaanse meltdown? Ziet dan niemand
dat ik gewoon Heel Moe ben (denk hier een echo bij)?
Maar
gelukkig, na de zesde poging, toen ik niet meer wist of ik nou moest
zitten of staan of liggen of gewoon verdwijnen door een gat in de
grond, was Het Knikje nergens meer te bekennen. Arno gaf toe: de
afgelopen weken waren zwaar, moesten zwaar zijn. Nu is het tijd om
uit te rusten op weg naar een goede tweede helft van het seizoen.
Opgelucht barst ik in een nog hardere huilbui uit. Ik wil me nooit
meer zo voelen als vandaag.
115
Bericht
geplaatst op:
Zo 12 juni 2011
There is no secret ingredient…
Dat een
van mijn lievelingsfilms een Disney animatie film is, zegt misschien
iets over mijn geringe mate van volwassen zijn (al vind ik ‘het kind
in mijzelf vasthouden’ net iets positiever klinken). Maar iedereen
die Kung Fu Panda met mij heeft gezien, moet toegeven dat er een
paar fantastische levenslessen in zitten. In het kort: de dikke,
onhandige Panda Po wordt door een oude wijze schildpad (Oogway)
verkozen tot de ‘dragonwarrior’ die de opperslechte Tai Long, die de
vallei bedreigd, moet verslaan. Hiertoe moet hij het hoogste niveau
van Kung Fu gaan beheersen, zodat hij de geheimen beschreven in de
‘dragonscroll’ kan lezen. Nogal ingewikkeld voor Po, die zijn tenen
nog niet kan aanraken (“let alone see his toes”, zoals de andere
Kung Fu krijgers over hem grappen). Na een hoop struggle, hilarische
grappen en het tactisch gebruikmaken van zijn overgewicht en een
flinke portie geluk, komt Po erachter dat er helemaal geen groot
geheim schuilt in het zijn van ‘the legendary dragonwarrior’, er is
geen geheim ingrediënt. Het gaat om hard werken en geloven in
jezelf.
Naast
het feit dat de film nogal briljant is (en godzijdank is deel 2 net
uit!), zijn dit natuurlijk levenslessen van formaat. De afgelopen
weken heb ik ondervonden dat het nog niet zo makkelijk is het
hoogste niveau van Kung Fu (en waar ik Kung Fu zei bedoel ik
atletiek, stop de tijd) te beheersen. Na twee slechte wedstrijden in
Hoorn en Hengelo, volgde een reeks “drie-zestigers”: 2x 3.68 in
Vught, en 2x 3.62 in Stadskanaal en gisteren in Leiden. Ondanks dat
ik het gevoel heb een hoop geleerd te hebben sinds het WK, en
ondanks dat ik harder trainde dan ooit, komt het er nog niet uit
zoals ik gehoopt had. Het niveau is zonder twijfel hoger dan vorig
jaar (toen ik 1 keer 3.54m haalde, destijds een nieuw PR), maar stiekem
wil ik op en over die 3.73m van januari. Ook op de sprint heb ik,
mede door een andere afstelling van mijn prothese, de stijgende lijn
wel te pakken (18.29 met -0.8ms wind gisteren in Leiden begint er
weer een beetje op te lijken), maar het gaat me nog niet hard
genoeg. Hoewel ik, als ik Arno moet geloven, zelfs nog minpunten zou
kunnen ontdekken na het halen van Paralympisch goud. Dat durf ik wel
te betwijfelen!
Dus, terugkijken op de afgelopen weken, ben ik gematigd tevreden.
Het kan, en moet, nog veel beter en ik ben erg gemotiveerd om straks
vanaf Uden (2 juli) er nog een hele mooie zomer van te maken. Nu
eerst een beetje rust en dan weer hard werken. Want ik weet, there
is no secret ingredient, it's just you.
114
Bericht
geplaatst op:
Ma 30 mei 2011
It's a
bumpy road
Er zijn
inmiddels vier wedstrijden verstreken, in het outdoor seizoen 2011.
Twee baancircuit wedstrijden in Lisse en in Hoorn, het NK in Emmen
en gisteren de FBK games in Hengelo. Hoog tijd voor een update.
De laatste keer
dat ik wat schreef, was ik net terug van een trainingsstage in
Valencia. Sterker nog, ik zat in het vliegtuig terug terwijl ik het
stukje typte. De week na terugkeer heeft vooral in het teken gestaan
van uitrusten. Mijn lijf leek aan alle kanten keihard te protesteren
tegen alles wat ik het had aangedaan in Valencia, dus voelde ik me
nog wat onzeker over de wedstrijd in Lisse, 7 dagen na de stage.
Uiteindelijk
bleek Lisse toch mijn beste wedstrijd tot nu toe. Met 3.64m, een
tweede afstand ooit op ver, en 28.81 op de incourante 150 deed ik
voor een eerste wedstrijd goede zaken. Nog een beetje brak maar vol
goede moed ging ik de week erop naar Hoorn. Daar haalde de realiteit
me keihard in: met een hele slechte 100m (en navenant slechte tijd)
en niet briljant verspringen (3.47m) kon ik mijn eigen verwachtingen
niet inlossen. Afgelopen week heb ik goed gerust en scherp getraind
om in het weekend iets goeds te presteren op het NK en de FBK games.
Het NK was redelijk, 3.58m met het gevoel dat ik zo dicht tegen een
veel betere afstand aan zit, als alles op zijn plek zou vallen. En
waar zou dat beter kunnen dan in Hengelo, eens per jaar het mekka
van atletiek in Nederland, met veel topatletiek en sinds jaar en dag
een demonstratie nummer voor vrouwen amputees? Helaas stond er een
hele lastige wind voor verspringen. Nu ligt het natuurlijk niet
alleen aan de wind, maar vooral aan mij. Ik kwam niet verder dan
3.37m. De geplande revanche op de 100m bleef ook uit.
Al met al een
domper op een voorbereiding die tot nu toe zo veelbelovend leek. Het
is duidelijk dat ik nog niet in een fantastische vorm verkeer. Zeker
met verspringen is er veel meer te halen, maar dat die 100m zo
beroerd gaat zit me niet lekker. Ik ben na het WK voor het sprinten
op een andere, kortere prothese gaan lopen en dat leek in training
wel wat op te leveren, maar nu wil het nog niet lukken. Ik heb me
laten vertellen dat het erbij hoort, dat je vaker verliest dan wint,
dat als het makkelijk was iedereen het zou doen en dat het te
prijzen is dat ik in ieder geval keihard mijn best doe. Maar ik vind
het best moeilijk te verteren. Ik wil graag laten zien waar ik toe
in staat ben! Gelukkig kan ik vertrouwen op coaches Arno en Guido.
Nu is het zaak
weer vooruit te kijken, de volgende wedstrijd dient zich gelukkig al
snel aan. Het is wonderbaarlijk hoe moe je ook kunt worden van een
slechte wedstrijd. Dus vandaag nog een beetje herstellen, vanaf
morgen volle kracht vooruit. Ik houd jullie op de hoogte!
113
Bericht
geplaatst op:
Zat 7 mei 2011
300 days
of summer
Valencia, stad van 300 wolkenloze dagen, hometown van de Virgin de
Desamparados en een vrij ideale plek om te trainen. Weet ik nu.
De afgelopen twee weken heb ik in deze stad me voorbereid op het
outdoor seizoen, samen met de andere leden van het Dutch
Paratlethics Team, coaches Arno Mul en Guido Bonsen en 400m horden
loopster Sanne Verstegen. Het lijkt voor de buitenstaander soms een
beetje onlogisch. Waarom zou je gaan trainen in een ander land, als
je dat in Nederland ook al elke dag kan doen? Voor diegenen die
nooit een trainingsstage hebben gedaan en er niets van snappen, ga
ik het proberen uit te leggen.
Allereerst is atletiek, om met meerkamper Pelle Rietveld te spreken,
niet alleen de moeder der sporten maar ook nog eens allermooiste
sport die er is en ooit zal zijn. Twee weken lang non-stop atletiek
is dus alleen al het allerbeste wat een mens in het vooruitzicht kan
hebben. In Valencia ligt het sporthotel letterlijk naast de baan,
vanuit onze kamer keken Suzan, Sanne en ik rechtstreeks op het
strijdtoneel. Ideaal. Onze enige taak was: trainen, slapen, eten en
letten op de persoonlijke hygiëne. Geen boodschappen, geen werk,
geen stress: as it is in heaven, zeg maar.
Om het nog mooier te maken, ben ik met nog 10 andere
atletiekliefhebbers. Twee coaches die al 30 jaar meedraaien in ‘het
vak’ zorgen voor een schier onuitputtelijke bron van mooie verhalen
over atletiekhelden van toen en nu. En een heleboel ongezouten
meningen over luie voetballers natuurlijk. De groep waarmee we in
Valencia waren is al een tijd bij elkaar, rondom het WK in januari
hebben we 6 weken op elkaars lip gezeten, wat een bijzonder leuke
maar ook wat bizarre groepsdynamiek heeft opgeleverd. Keihard
uitgelachen worden tijden potjes ‘wie is de ezel’, onvervalste
gehandicapten humor (“hup spast!”) en 3 wheelers die als het even
saai wordt elkaar de rolstoel onder de kont vandaan trekken: vooral
de geschokte blikken van nietsvermoedende passanten zijn
onbetaalbaar.
Dan de trainingen, want daar draait het om. Het is bijna onmogelijk
het onheimische buikgevoel te beschrijven dat ik heb als ik naar de
baan loop in de wetenschap dat de training zwaar word, ik me na
afloop naar het hotel terug zal slepen, zuur tot in mijn
haarwortels, maar wel weer beter als atleet. Of het gevoel van een
geslaagde krachttraining, een goede afzet terugkijken op video, of
gewoon op je rustdag aan de kant zitten en je teamgenoten
aanmoedigen.
Voor ik te lyrisch word moet ook gezegd worden dat het zwaar is. Het
gaat niet altijd zoals het moet. En dat het dan moet zoals het gaat,
frustreert me mateloos. Het is vaak vechten met mezelf, met de klok,
met de vermoeidheid. Tegen het eind van de stage lijkt een training
soms een onoverkomelijke hobbel.
Misschien is het mooiste van een trainingsstage wel om na het
laatste loopje op de baan neer te ploffen, op je rug te gaan liggen,
een van die 300 wolkenloze dagen nog eens goed bestuderen en je
beseffen: wauw, dat ik dit gewoon mag doen. Met een schaapachtige
glimlach staar ik naar de blauwe lucht tot Arno me overeind trekt.
Tijd om naar huis te gaan, uit te rusten en aan de wedstrijden te
beginnen.
Sinds er in
Nederland zo ongeveer net zo veel auto’s als mensen zijn, is Goede
Vrijdag voor mij getransformeerd tot Gedoe Vrijdag. Alsof iedereen
die vanochtend op zijn werk aankwam en bij de koffieautomaat
probeerde zonder een spier te vertrekken het gedrocht wat zich in
het witte plasticbekertje bevond op te drinken, opeens een briljante
ingeving kreeg: ik ga weer naar huis. Met als gevolg dat de
ochtend- en avondspits niet meer te onderscheiden zijn van elkaar.
Omdat ik me
niet echt houd aan de rituelen van het werkende volk (sterker nog,
een aaneengesloten werkdag van 8 uur lijkt me een ware tour de force,
laat staan dat vijf dagen achtereen), beland ik altijd bij toeval in
de Gedoe Vrijdag files. Vandaag was ik op weg naar prothesemaker
Frank Jol om mijn sportprotheses op te halen. Morgen gaan we met de
selectie op trainingsstage naar Valencia, en mijn benen moesten nog
even in de onderhoud. Wees blij dat jullie allemaal regenerende
cellen bezitten in je benen, want zo’n knie slijt echt als een gek.
Ik kan ze nog vrij eenvoudig wisselen, maar die arme Beatrix met
haar kunstknieën… als dat slijt moet de hele boel weer open.
Maargoed, ik
dus in de file voor de Coentunnel. Als in een processie staan we
kont aan kont te wachten tot we verder mogen. Het is een
Christus-waardige lijdensweg, met name voor de auto’s zonder airco.
Ik heb meer geluk wat dat betreft, maar verveel me wel te pletter.
Ik scan de radiozenders op zoek naar goede muziek, maar na de
constatering dat Skyradio nog steeds ‘ik ben mezelf niet of nooit
geweest’ van Acda en de Munnik draait, en daarna het gore lef heeft
om de Lambada te laten klinken, geef ik het op.
Ik staar uit
mijn raam naar een wit bestelbusje naast me. De dame achter het
stuur is van middelbare leeftijd, een Spaanse of Roemeense, dat kan
ik niet zo een-twee-drie opmaken. Ze heeft overduidelijk geen
airconditioning in haar busje. Ze puft amechtig en een mollige arm
hangt uit het open autoraam. Nu pas zie ik dat op de zijkant van
haar busje grote sticker met ‘accordeonist’ is geplakt. Een
Word’97-illustratie van een accordeon verfraaid het geheel en
eronder staat ‘voor al uw gelegenheid’. Wat een mooi
voorbeeld van integratie, denk ik bij mezelf. Voor al mijn
gelegenheid… nou, ik heb alle tijd, want sinds Acda en de Munnik ben
ik maximaal 30m opgeschoven. Zou ze nu een deuntje voor me willen
spelen? Ik kijk naar haar wat rood aangelopen, lieve gezicht en stel
me voor dat ze op weg is om een paasfeest op te leuken met een
gezellig mopje accordeonnen. Zo’n feest in een hooischuur,
waar de arbeiders na een week genadeloos zwoegen zelfgebrouwen
whiskey drinken en zelfgedraaide bloedworst eten.
Terwijl ik
fantaseer over de accordeon spelende dame, het schuurfeest en
varkens aan het spit, zie ik dat ze een glimmende Blackberry met
zo’n kralenkettinkje eraan uit haar tas vist. Ik zet mijn raam open
om onopvallend mee te luisteren. Ze begint op luide toon, met een
onvervalst Amsterdams accent, te kakelen: “nee schat, ik sta
he-le-maal klem. Ja... Ja... Ik ga zo naar de Appie en dan neem ik
van die Rosé mee die jij zo lekker vond laatst, op die
businessborrel…” Ik draai mijn raampje dicht, leg mijn handen op
het stuur en staar naar het remlicht voor me. Weer een illusie
armer.
112
Bericht
geplaatst op:
Zo 3 april 2011
Spierpijn, oude herinneringen en een nieuw begin
Morgen is de dag. Ik stap de auto uit en blijf even staan om naar
mijn ouderlijk huis te kijken. Morgen overhandigt mijn vader de
sleutel aan een jong stel, de nieuwe eigenaren, en is mijn ouderlijk
huis definitief niet meer mijn ouderlijk huis. Vandaag zijn mijn
vader, mijn zusje, Pieter en Laurie (mijn vaders partner) er voor
het laatst. Ik wankel een beetje, terwijl ik langs de gevel omhoog
kijk naar 16 jaar van mijn leven.
Ik wankel trouwens voornamelijk vanwege de zware trainingen die
achter mij liggen. Het duurt nog zo’n 6 weken nog tot het nieuwe
wedstrijdseizoen losbarst, dus de perfecte tijd voor een blok zware
trainingen. Al vanaf begin deze week keek ik uit naar deze
zondagmiddag, het begin van een week met maar een paar lichte
trainingen. Maar nu het zover is, voel ik al dat een hele week rust
moeilijker zal zijn dan een hele week zwaar trainen. Ondanks dat ik
op dit moment alleen maar of kan zitten, of kan liggen, of ergens
tegenaan kan hangen en mag bidden dat ik niks op de grond laat
vallen omdat er geen kans is dat ik het ooit op zal kunnen rapen op
een enigszins elegante manier, is hard trainen honderden malen meer
bevredigend dan rusten. Maar als zelfs de gevel van mijn oude huis,
waar ik toch al 7 jaar niet meer woon, me een brok in mijn keel
bezorgd, is het echt tijd om te gaan herstellen.
Ik sta met mijn zusje op de bovenste verdieping. We kijken uit het
raam. Hoe vaak hebben we daar wel niet gestaan, spiekend in de tuin
de achterburen, kijkend naar mijn ouders die probeerden de wildgroei
in de achtertuin in te dammen? Hoe vaak ben ik niet de trap
opgestormd om mijn broers te roepen voor het eten, of, als ik te lui
was, stond ik onderaan die trap, schreeuwend naar boven?
In dit huis is zoveel gebeurd. Hier werd mijn zusje geboren, iets
wat op mij als vierjarig meisje een onuitwisbare indruk maakte. Een
levende pop om mee te spelen! Met de basisschool letterlijk naast de
deur heb ik de meest onbezorgde jeugd gehad die je je maar kunt
voorstellen. Tot ik ziek werd en opeens niets meer vanzelfsprekend
was. Hier in dit huis heb ik keer op keer op de rand van mijn bed
zitten huilen omdat mijn haar eraf ging, en daarna mijn been, in de
verste verte niet vermoedend hoe goed het allemaal zou komen, later.
Maar in dit huis schreef ik ook het dagboek, dat ik kreeg om alle
nare ervaringen van het ziekenhuis in op te schrijven, vol met
analyses over de jongens van mijn klas waar ik verliefd op was. En
showde ik vol trots mijn eerste van zelf verdiend geld gekochte jas,
die ik nog steeds heb. In deze achtertuin stonden 7,5 jaar geleden
zoveel bloemen en bloemstukken voor mijn moeder dat we ze niet met
een gieter, maar met de tuinslang voorzagen van vers water.
Het ligt ongetwijfeld aan mijn abominabele staat van zijn,
lichamelijk, maar terwijl ik daar op de bovenste verdieping sta met
mijn zusje, valt het definitieve afscheid van dit huis me zwaarder
dan ik dacht. Ik wil me hier opsluiten, me koesteren in de
herinneringen van twee decennia ‘Het Gangwerk 56’. Klara pakt mijn
hand en kijkt me aan. Samen lopen we, of nee, denderen we nog één
keer als vanouds de trap af. Resoluut pakken we onze jassen, tassen
en stappen de deur uit.
Op de stoep draaien ik me om en kijk weer langs de gevel omhoog. En
hoe cliché het ook klinkt, het is goed zo. Iets met de tijd van
komen en gaan, spierpijn, oude herinneringen en nieuw begin. Straks
woont hier een jong stel, dat vast een heleboel kindjes gaat maken,
er is immers plek zat. En ik kan alleen maar hopen dat zij er net zo
gelukkig worden als wij. Ik waggel naar de auto, wat dat betreft is
er niet veel veranderd sinds ik hier als 1 jarig meisje aankwam…
Those
were the days, my friend
We thought they'd never end
We'd sing and dance forever and a day
We'd live the life we'd choose
We'd fight and never lose
For we were young and sure to have our way
Zeg nou zelf: op een Giro 555-waardige natuurramp na, geeft u uw
geld liever niet uit aan dingen die niet positief zijn. Dat laatste
is een wat omslachtige omschrijving voor gezeik. Ik zou liever
investeren in een enthousiaste, jonge, talentvolle restauranthouder
die nog nooit een zaak heeft gerund dan een uitgezakte kok die
redelijk rendabel elke dag kleffe gehaktballen bakt maar alleen maar
klaagt dat vroeger alles beter was.
Zo zit het nou ook met gehandicapten sport: klagen dat we te weinig
aandacht krijgen, of dat we nog steeds niet voor vol aangezien
worden helpt echt niet om meer sponsors te vinden. Net als beweren
dat je topsport bedrijft terwijl je met kilo overgewicht je moet
laten voortduwen in een rolstoel. Wie wil nou een sporter sponsoren
die niet op een positieve manier de aandacht trekt?
Volgens mij is het aan ons, topsporters, om te laten zien hoe gaaf
en inspirerend topsport is, met of zonder handicap. Paralympisch
sporten is misschien iets kleiner, iets minder vanzelfsprekend. Maar
dat is de militaire vijfkamp ook, of schermen, of shorttracken.
Vrouwenvoetbal! Rugby in Nederland! Stuk voor stuk kleine sporten,
maar als je je erin verdiept niet minder knap of aanstekelijk. Er
zijn in Paralympische sport zoveel jonge, ambitieuze sporters die
absoluut het sponsoren waard zijn. Neem maar van mij aan dat je als
amputee altijd de volle aandacht hebt op de baan. Plak op zo’n koker
een levensgrote sticker met een bedrijfsnaam, exposure gegarandeerd…
Respect dwing je af met prestaties en het uitdragen van je passie
voor de sport. Ik ben niet de enige die er zo over denkt. Houd de
datum 13 april in de gaten: dan word een supercool initiatief
gelanceerd door onder andere Esther Vergeer. Inspiratie richting
Londen 2012. Stay tuned!